Hektor vertelt:
“Ajas verdedigde de schepen. Met zijn lans stootte hij iedereen die met
een fakkel in de hand naderde van de schepen weg. Ik zag hem zweten en zwoegen.
Lang kon hij dat niet meer volhouden. Met mijn zwaard sloeg ik de punt van zijn
speer af. Toen was er geen houden meer aan. De fakkels deden hun werk, de
schepen stonden in brand. Wat kon ons nog tegen houden eindelijk de oorlog te
beëindigen?
Ik had beter kunnen zeggen ‘wie’. Ineens kwamen de Myrmidonen aangestormd, onder leiding van Achilleus.
Had hij toch besloten mee te strijden? Was zijn wrok over?
Onze kansen keerden. Angst overviel ons. Hoewel we nog steeds tegenstand boden, werden we toch langzaam teruggedreven. Pas toen Achilleus op zijn wagen kwam aanstormen, sloegen de meesten hals over kop op de vlucht.
Velen werden gedood. Onder de gesneuvelden koning Sarpedon uit Lycië, de zoon van Zeus. Hij werd door een speerworp van Achilleus getroffen. Een hevig gevecht om zijn lijk volgde. Uiteindelijk moesten we de strijd daarom opgeven en vluchten.
Bij de Skaeïsche poort liet ik mijn paarden stilhouden. Ik zag dat Achilleus pogingen deed de stadsmuur te beklimmen. Gelukkig werd hij gestopt door Apollo. Die kwam ons te hulp. Apollo was het die mij overhaalde om opnieuw te strijden. Het was nu mijn kans om de strijd aan te gaan met Achilleus en hem te doden.
Ik liet mijn wagen keren en viel weer aan. Mijn wagenmenner, Kebriones, werd getroffen door een steen. Hij stortte neer. Ik sprong van mijn wagen en er ontstond een bloedige strijd om het lijk.
Achilleus vocht als een razende. Hij doodde vele mannen. Op een gegeven moment brak zijn speer en werd zijn helm van zijn hoofd afgeslagen door de god Apollo, die ons nog steeds te hulp kwam. Het was niet Achilleus, het was Patroklos!
Euforbos wist hem op een gegeven moment te raken met zijn lans. Toen ik zag dat Patroklos zich terug wilde trekken, kwam ik hem achterna. Ik stootte mijn speer in zijn buik en hij viel neer. Had hij, Patroklos, echt gedacht mij te kunnen doden en Troje te kunnen verwoesten. Ik kon het niet nalaten hem daarom te bespotten.
Kreunend in doodstrijd sprak hij zijn laatste woorden:
Ik had beter kunnen zeggen ‘wie’. Ineens kwamen de Myrmidonen aangestormd, onder leiding van Achilleus.
Had hij toch besloten mee te strijden? Was zijn wrok over?
Onze kansen keerden. Angst overviel ons. Hoewel we nog steeds tegenstand boden, werden we toch langzaam teruggedreven. Pas toen Achilleus op zijn wagen kwam aanstormen, sloegen de meesten hals over kop op de vlucht.
Velen werden gedood. Onder de gesneuvelden koning Sarpedon uit Lycië, de zoon van Zeus. Hij werd door een speerworp van Achilleus getroffen. Een hevig gevecht om zijn lijk volgde. Uiteindelijk moesten we de strijd daarom opgeven en vluchten.
Bij de Skaeïsche poort liet ik mijn paarden stilhouden. Ik zag dat Achilleus pogingen deed de stadsmuur te beklimmen. Gelukkig werd hij gestopt door Apollo. Die kwam ons te hulp. Apollo was het die mij overhaalde om opnieuw te strijden. Het was nu mijn kans om de strijd aan te gaan met Achilleus en hem te doden.
Ik liet mijn wagen keren en viel weer aan. Mijn wagenmenner, Kebriones, werd getroffen door een steen. Hij stortte neer. Ik sprong van mijn wagen en er ontstond een bloedige strijd om het lijk.
Achilleus vocht als een razende. Hij doodde vele mannen. Op een gegeven moment brak zijn speer en werd zijn helm van zijn hoofd afgeslagen door de god Apollo, die ons nog steeds te hulp kwam. Het was niet Achilleus, het was Patroklos!
Euforbos wist hem op een gegeven moment te raken met zijn lans. Toen ik zag dat Patroklos zich terug wilde trekken, kwam ik hem achterna. Ik stootte mijn speer in zijn buik en hij viel neer. Had hij, Patroklos, echt gedacht mij te kunnen doden en Troje te kunnen verwoesten. Ik kon het niet nalaten hem daarom te bespotten.
Kreunend in doodstrijd sprak hij zijn laatste woorden:
< Ja, nu kun je
wel grootspreken, Hektor. Want jou heeft de zege
Zeus, de Kronide, gebracht en Apollo. Het viel hun niet moeilijk
mij te verslaan en mij wapens en tuig van de schouders te nemen.
Maar ook al zouden er twintig als jij op mij af zijn gekomen,-
allen zouden ter plaatse onder mijn speer zijn bezweken.
Mij heeft de zoon van Leto geveld en de gruwelijke Moira
en van de mannen Euforbos; jij doodt me nu pas, als derde.
‘k Zal je wat anders vertellen en houdt dat goed in gedachten:
naast je staan al de Dood en de onvermurwbare Moira,
die je verslaan door de hand van de onvolprezen Achilles. >
Zeus, de Kronide, gebracht en Apollo. Het viel hun niet moeilijk
mij te verslaan en mij wapens en tuig van de schouders te nemen.
Maar ook al zouden er twintig als jij op mij af zijn gekomen,-
allen zouden ter plaatse onder mijn speer zijn bezweken.
Mij heeft de zoon van Leto geveld en de gruwelijke Moira
en van de mannen Euforbos; jij doodt me nu pas, als derde.
‘k Zal je wat anders vertellen en houdt dat goed in gedachten:
naast je staan al de Dood en de onvermurwbare Moira,
die je verslaan door de hand van de onvolprezen Achilles. >
Toen
stierf hij. Ik trok mijn speer uit zijn buik en dacht: ‘het kan ook Achilleus
zijn die door mij wordt gedood’, en hervatte de strijd.”


Geen opmerkingen:
Een reactie posten