KUNST, CULTUUR EN MYTHOLOGIE

KUNST, CULTUUR, MYTHOLOGIE
OMLIJST DOOR MUZIEK

maandag 19 november 2012

DE STRIJD OM HET LIJK VAN PATROKLOS (boek 17)


Menelaos vertelt:

“Patroklos was gedood door Hektor. Ik heb nog geprobeerd te voorkomen dat de Trojanen de wapenuitrusting van Achilleus buit maakten, maar het lukte me niet. Niet alleen. Misschien samen met Ajas, die is groot en sterk. Maar die kon ik op dat moment nergens vinden.
Het was duidelijk dat Hektor geholpen werd door de goden. Hier kon ik niet tegenop. Ik moest het opgeven en week terug. Achter me zag ik Hektor het lijk plunderen. Toen zag ik eindelijk Ajas. Snel riep ik hem me te helpen. Net op tijd. Hektor stond op het punt het lijk te verminken met zijn zwaard. We konden zo nog net voorkomen dat hij het hoofd van Patroklos af zou slaan.
Hektor ging er toen vandoor met het wapentuig.
Even later keerde hij weer terug. Hij had zijn eigen wapenuitrusting verruild voor die van Achilleus. En met hem stormde een horde Trojanen op ons af.
Ajas schreeuwde mij toe:

< Vriend Menelaos, beschermeling van Zeus, ik koester niet langer
hoop dat wij beiden zelf uit de oorlog teug zullen keren.
Minder maak ik mij zorg om het lijk van Patroklos, dat zeker
spoedig de honden en vogels van Troje tot voedsel zal dienen,
dan ik er zorg over heb dat mijn eigen hoofd en het jouwe
iets overkomt, nu die alles bedreigende wolk van de oorlog,
Hektor, en ’t steile verderf van de dood ons voor ogen gesteld wordt.
Vlug, roep de dapperste Grieken. Wellicht dat nog iemand gehoorzaamt. 
>

Meteen riep ik onze mannen hierheen. Ze gaven meteen gehoor aan mijn geroep. 
De Trojanen probeerden het lijk van Patroklos mee te sleuren. Ajas kon dat gelukkig voorkomen. Hij doodde met zijn speer vele mannen. Toen weken ze terug. Maar niet voor lang. Onder aanvoering van Aineias kwamen ze weer op ons afgestormd.
Op aanwijzing van Ajas vormden we een haag met onze schilden en staken we onze speren naar voren. We wilden koste wat kost het lijk niet prijsgeven. Zo dachten de Trojanen er echter ook over. Bovendien werd ons zicht bemoeilijkt door een dichte nevel. Het was duidelijk dat Zeus aan de kant van de Trojanen stond.
Ajas riep me toen toe:

< Kom, nu moeten we zelf er het beste van maken en nagaan
hoe we het lijk in de wacht kunnen slepen en we het redden
zelf naar de schepen te keren tot vreugde van al onze vrienden,
die nu bedroefd hierheen staan te kijken en vrezen dat Hektor
met zijn verdelgende kracht en zijn ongenaakbare handen
niet te weerstaan is, maar recht naar de zware schepen zal stormen.
Hadden we hier maar een man om snel een bericht naar Achilleus,
Peleus’ zoon, te gaan brengen. Ik denk dat de droevige tijding
over de dood van zijn vriend hem nog niet ter ore is gekomen.
Maar ik kan nergens een Griek die daartoe geschikt is ontdekken;
zij en hun paarden zijn allen gehuld in een donkere nevel.
Zeus, onze Vader, verjaag de nevel van ’t volk der Achaeërs,
maak dat de hemel weer opklaart en geef onze ogen het licht, ja
breng ons ter dood in het licht, nu u daarop uw zinnen gezet hebt. >

Gelukkig verhoorde Zeus dit gebed. De zon brak door en we konden weer wat zien.
Ajas vervolgde:

< Kijk om je heen, Menelaos, begunstigd door Zeus, of je ergens,
levend, Antilochos ziet, de zoon van de edele Nestor.
Geef hem bevel zich snel naar de sterke Achilles te spoeden,
om hem de dood van zijn allerdierbaarste strijdvriend te melden. >

Op mijn hoede voor de speren van de Trojanen keek ik rond of ik Antilochos ergens zag. Op het linkergedeelte van het slagveld trof ik hem aan en ik gaf hem de opdracht Achilleus op de hoogte te brengen van de dood van zijn vriend.
Hierna keerde ik weer terug naar het lijk van Patroklos Ik vertelde de beide Ajanten dat Antilochos inmiddels onderweg naar Achilleus was, maar dat het niet waarschijnlijk is dat die ons meteen zal komen helpen. Hij heeft immers geen wapenuitrusting meer.
Ajas was het met me eens en gaf me het advies samen met Meriones het lichaam weg te dragen, dan zouden hij en de kleine Ajas wel verder de strijd aangaan met Hektor.
Zodra we echter het lichaam optilden, stormden de Trojanen als bezetenen op ons af. Dankzij de tegenstand van de beide Ajanten is het ons uiteindelijk toch gelukt het lijk van het slagveld naar de schepen te brengen.”

Geen opmerkingen:

Een reactie posten