Poseidon
vertelt:
“Even dreigde
Laokoön toch nog roet in het eten te gooien. Hij stormde op Priamos af en zei
dat het allemaal leugens waren. Hij eiste dat het paard verbrand zou zijn
wanneer hij terug zou komen van het offeren van een stier aan mij.
Die
neppriester moest gestopt worden. Neppriester ja. Mijn eigen priester hadden de
Trojanen negen jaar geleden gestenigd. De smeerlappen! En nu moest ik het maar
doen met een derderangs Apollopriester. Die trouwens ondertussen ook de gunst
van Apollo verspeeld had door toch te trouwen en kinderen te krijgen. En, het
ergste, hij had nota bene op het altaar van Apollo die kinderen
verwekt.
Zodra hij in gezelschap van zijn zoons bij mijn heiligdom bezig was
met het voorbereiden van het offer, stuurde ik twee enorme zeeslangen op hem af,
Porkes en Chariboia. Twee prachtige beesten. Eerst grepen ze de zonen, de
tweeling Antiphas en Thymbraios, vervolgens de vader.
Zo, die was het
zwijgen opgelegd.
De Trojanen die zagen wat er gebeurde, waren nu helemaal
overtuigd van de woorden van Sinon. Onmiddellijk braken ze een deel van de muur
en poort af en trokken ze het houten bakbeest de stad in. Het was feest in
Troje.”
"Overigens ben ik van mening dat de wal verwoest moet
worden."

Geen opmerkingen:
Een reactie posten