KUNST, CULTUUR EN MYTHOLOGIE

KUNST, CULTUUR, MYTHOLOGIE
OMLIJST DOOR MUZIEK

zondag 20 januari 2013

ALKINOOS OVER DE PHAIAKEN


Nadat ik de Phaiaken uitvoerig over al mijn belevenissen had verteld, bleef het nog enige tijd stil in de zaal. De mensen waren erg onder de indruk van al wat ik had meegemaakt.
Na enige tijd nam Alkinoös het woord. Hij beloofde me morgen tegen de avond naar huis te laten brengen op een van zijn snelste schepen. Hij beloofde me tevens dat er voor mij een inzameling gehouden zou worden en dat ik van ieder huishouden een offerketel en een wasbekken zou meekrijgen. Daarna keerde iedereen naar zijn huis terug om te slapen.
Toen alleen wij twee nog overgebleven waren, begon Alkinoös te vertellen over zijn volk.
Dit was zijn verhaal.

Eens hadden wij, Phaiaken, gewoond in de wijde velden van Hypcreia, dicht in de buurt van de ongeciviliseerde Cyclopen. Het was een heel gemakkelijk leven voor ons daar. Zonder al te veel inspanning groeide alles toch wel op het land. Daardoor werden de mensen lui en gemakzuchtig. Ze waren niet meer gewend hard te werken. Hierdoor heeft een van mijn voorvaderen, Eurymedon, het volk in het verderf gestort. Nadat hij en velen van ons volk omgekomen waren, werd zijn kleinzoon, mijn vader Nausitoös, heerser over de Phaiaken. Hij leidde het volk weg van Hypcreia en de naburige vijandige Cyclopen naar het veilige Scheria. Daar bouwde hij een ommuurde stad met tempels en huizen. Verder verdeelde hij al het bouwland en liet het volk dit goed onderhouden. Nooit zou luiheid meer tot onze ondergang leiden. Luiheid is hier een zonde, een van de ergste misdrijven die iemand van de Phaiaken kan doen, en het wordt streng bestraft. We houden elkaar daarom ook goed in de gaten.
Gelukkig komt het niet zo vaak voor dat we iemand betrappen op luiheid. Het laatste geval dateert al weer van enige tijd geleden. Op ons grote super marktplein was eens een kraam van een oud omaatje. Ze verhandelde vruchten van goede kwaliteit. Ze werd daarom ook geprezen. Totdat de mensen erachter kwamen dat ze niet de vruchten van haar eigen boomgaard verhandelde, maar die uit de boomgaarden van anderen stal om in haar kraam te leggen. Ze was te lui om zelf fruit te kweken. Toen we haar er op aan wilden spreken, was ze nergens meer te bekennen. Er lag alleen een klein hoopje rood stof achter haar kraam. We vermoedden dat ze was getroffen door een pijl van de god Apollo.
Wij Phaiaken beschouwen iedereen die spullen verhandelt die hij niet zelf heeft verbouwd als lui. En iemand die lui is, begaat een misdaad. Daarom vinden wij de meeste kooplui ook misdadigers. Winst verkrijgen via iets, dat door een ander is voortgebracht, is misdaad.

Na dit verhaal wensten we elkaar een goede nacht. Morgen tegen de avond ga ik scheep en vertrek ik naar Ithaka. Ik verlang ernaar mijn vaderland terug te zien.  


Geen opmerkingen:

Een reactie posten